Belgisch Officieel Barema der Invaliditeiten (BOBI)
Deel IX: Neus-, Keel- en Oorziekten (*)

Indeling:

I. Neus
II. De sinus
III . De farynx
IV. De slokdarm
V. De larynx
VI. De trachea
VII. De oren
VIII. De craniale zenuwen

I. Neus

A. Vernauwing van de neusholten

Slechts de betrekkelijk belangrijke vernauwing van één of beide neusholten geeft aanleiding tot invaliditeit.

In ieder geval moet men rekening houden met de aantasting van de naburige organen en de verwikkelingen op afstand die deze vernauwing veroorzaakt.

1. Eenzijdige vernauwing

%
Art. 685. Eenzijdige vernauwing die de neuspermeabiliteit vermindert: lichte vorm 0 tot 3
Art. 686. Eenzijdige vernauwing die de neuspermeabiliteit vermindert: zwaardere vorm 3 tot 5
Art. 687. Eenzijdige vernauwing die de neuspermeabiliteit vermindert: volledige obstructie 5 tot 7
Art. 688. Eenzijdige vernauwing met aantasting van de naburige organen en/of verwikkelingen op afstand 6 tot 10

2. Tweezijdige vernauwing

%
Art. 689. Tweezijdige vernauwing die de neuspermeabiliteit vermindert: lichte vorm 3 tot 5
Art. 690. Tweezijdige vernauwing die de neuspermeabiliteit vermindert: zwaardere vorm 5 tot 7
Art. 691. Tweezijdige vernauwing die de neuspermeabiliteit vermindert:

a) volledige obstructie

7 tot 10

b) volledige obstructie met aantasting van de naburige organen en/of verwikkelingen op afstand

10 tot 15

3. Neustussenschotdoorboring

%
Art. 692. Neustussenschotdoorboring die een luidruchtige ademhaling en/of trofische stoornissen veroorzaakt 5 tot 10

B. Reukstoornissen

De reukstoornissen kunnen veroorzaakt zijn door een mechanische hindernis die het kontakt tussen de luchtstroom en de reukzone belemmert (geleidingsstoornis) ofwel door een aantasting van het reukapparaat zelf (perceptiestoornis). Soms gaan ze met smaakstoornissen gepaard.

%
Art. 693. Reukstoornissen: volgens hun graad 5 tot 15

C. Stoornissen veroorzaakt door neusverminking

Deze stoornissen zullen slechts na een redelijke termijn geschat worden, zelfs indien een plastische ingreep uitgevoerd werd.

Art. 694 : %

a) functionele stoornissen door neusverminking veroorzaakt:

te schatten volgens de overeenkomende titels van dit hoofdstuk.

b) esthetische stoornissen door neusverminking veroorzaakt:

te schatten volgens artikel 28ter.

D. Cerebrospinale neusloop

Aangepaste proeven moeten de cerebrospinale oorsprong van de neusloop bevestigen.

Art. 695 : %

a) cerebrospinale neusloop (acute fase)

100

b) blijvende invaliditeit na behandeling

10 tot 30

E. Vasomotorische stoornissen

Een trauma of een blootstelling aan bepaalde fysische, chemische en/of infectieuze agentia kan vasomotorische stoornissen ter hoogte van de neusmucosa veroorzaken. Deze zullen, volgens het belang en de duur van de aantasting, in het beginstadium te verhelpen zijn door vasoconstrictoren (rhinitis-hyperhemica); in een later stadium beantwoorden ze niet meer aan deze geneesmiddelen (rhinitis hypertrofica).

Een overdreven sereuze, slijmerige of slijmetterige sekretie kan men in deze gevallen eveneens aantreffen.

Onder bepaalde omstandigheden kunnen dezelfde etiologische faktoren een atrofie van de neusmucosa met vermindering van de neussekretie, eventuele korstvorming en/of recidiverende neusbloedingen veroorzaken.

Art. 696 : %

a) permeabiliteitstoornis door rhinitis hyperhemica of hypertrofica, zonder overdreven neusloop, volgens de graad

0 tot 10

b) permeabiliteitstoornis door rhinitis hyperhemica of hypertrofica, met overdreven neusloop, volgens het belang en de natuur van de neusloop

3 tot 15

c) permeabiliteitstoornis door atrofische rhinitis zonder korstvorming

0 tot 5

d) permeabiliteitstoornis door atrofische rhinitis met korstvorming en/of epistaxis

3 tot 10

e) vermeerdering voor objectieve cacosmie

1 tot 5

II. De sinus

A. De sinusitiden

1. Men verstaat onder sinusitis een infectie van de sinusholten die bevestigd wordt door een ettering ter hoogte van de middenste en/of bovenste neusgangen of door een sinusspoeling. Een sluiering van een sinus bij de diafanoscopie of op radiografische opnamen volstaat niet om de diagnose van sinusitis te stellen.

2. De sinusitiden kunnen ernstiger zijn bij bepaalde constitutionele types (allergische, vasomotorische,dystrofische, diatesische, e.a.).

3. Bepaalde vormen van sinusitis geven aanleiding tot de ontwikkeling van neuspolypen.

4. Oftalmologische, neurologische en ademhalingsstoornissen kunnen de sinusitiden verwikkelen. In voorkomend geval, zie de passende hoofdstukken.

1. De voorste sinusitiden

Art. 697 : %

a) eenzijdige etterige sinusitis maxillaris, met of zonder aantasting van het ethmoied

5 tot 10

b) tweezijdige etterige sinusitis maxillaris, met of zonder aantasting van het ethmoied

20 tot 30

c) eenzijdige etterige sinusitis frontalis, met of zonder aantasting van het ethmoied

10 tot 15

d) tweezijdige etterige sinusitis frontalis, met of zonder aantasting van het ethmoied

20 tot 40

e) bij polypose die de neuspermeabiliteit vermindert: verhogingspercentage

1 tot 10

f) in geval van fistulisatie, ingesloten vreemd lichaam of osteïtis: verhogingspercentage

1 tot 10

2. De achterste sinusitiden (sinusitis ethmoidalis posterior en/of sphenoidalis)

Art. 698 : %

a) eenzijdige achterste etterige sinusitis

10 tot 15

b) tweezijdige achterste etterige sinusitis

20 tot 40

c) bij polypose die de neuspermeabiliteit vermindert: verhogingspercentage

1 tot 10

d) in geval van fistulisatie, ingesloten vreemd lichaam of osteïtis: verhogingspercentage

1 tot 10

3. Aantasting van verscheidene sinus of pansinusitis

Art. 699 : %

a) eenzijdige etterige aantasting van verscheidene sinus of pansinustis

10 tot 15

b) tweezijdige etterige aantasting van verscheidene sinus of pansinustis

20 tot 40

c) bij polypose die de neuspermeabiliteit vermindert: verhogingspercentage

1 tot 10

d) in geval van fistulisatie, ingesloten vreemd lichaam of osteïtis: verhogingspercentage

1 tot 10

B. De andere aandoeningen

Te schatten volgens hun functionele of esthetische weerslag: zie overeenkomstige artikels.

III . De farynx

Ter hoogte van de farynx kan men een mechanische (door verlies van stof of stenoserende aandoeningen) of een neurologische (volledige of gedeeltelijke verlamming van craniale zenuwen) pathologie aantreffen.

Deze letsels kunnen stoornissen van de ademhaling, het gehoorapparaat, de spraak of van de slikfunctie veroorzaken.

Art. 700 :

a) stoornissen van de neusademhaling (gelijkgesteld met de artikels 689 tot 691).

b) stoornissen van het gehoorapparaat (zie VII, A).

c) spraakstoornissen van mechanische of neurologische oorsprong (zie deel I, hoofdstuk I en deel VIII, artikel 548).

d) slikstoornissen van mechanische of neurologische oorsprong (zie deel V, art. 414 en 415, en deel VIII, zenuwstelsel).

IV. De slokdarm

Zie spijsverteringsstelsel: deel V, hoofdstuk III, artikels 416,417 en 418.

V. De larynx

De laryngeale aandoeningen kunnen stem- en/of ademhalingsstoornissen veroorzaken.

1. Stemstoornissen

%
Art. 701. Alleenstaande dysfonie 0 tot 10
Art. 702. Afonie zonder dyspnee 10 tot 30

2. Ademhalingsstoornissen

Een tweezijdige n.recurrens verlamming of stenoserende aandoeningen kunnen deze ademhalingsstoornissen veroorzaken. Ze worden geschat met behulp van aangepaste functionele proeven.

%
Art. 703. Lichte dyspnee die enkel optreedt bij fysische inspanning 5 tot 10
Art. 704. Middelmatige dyspnee die de uitoefening van een zittend beroep toelaat 10 tot 20
Art. 705. Blijvende dyspnee die de uitoefening van een zittend beroep verhindert 20 tot 60
Art. 706. Tracheostomie (met of zonder laryngectomie) of blijvende tracheotomie 60 tot 100

3. Associatie van stem- en ademhalingsstoornissen

Art. 707. Zie de voorgaande artikels. Men telt de invaliditeitspercentages voor iedere stoornis afzonderlijk toegekend op, zonder dat de som de 100 pct. mag overschrijden.

4. Larynxtuberculose

Art. 708. Larynxtuberculose: zie V, 1., 2., 3.

VI. De trachea

Art. 709. De aandoeningen van de trachea moeten op dezelfde basis als de larynxaandoeningen geschat worden.

VII. De oren

A. De aandoeningen van het buitenoor

(Zie eveneens de huidletsels en de esthetische stoornissen).

Art. 701. Aantasting van het buitenoor zonder stenose van de uitwendinge gehoorgang: %

a) eenzijdige aantasting van het buitenoor

0 tot 3

b) tweezijdige aantasting van het buitenoor

0 tot 6
Art. 711. Aantasting van het buitenoor met stenose van de uitwendinge gehoorgang.
Deze kan aanleiding geven tot een zekere graad van ongeschiktheid, in de mate dat ze de regelmatige reiniging van de uitwendinge gehoorgang verhindert, de ophoping van cerumen bevordert of de behandeling van een ettering bemoeilijkt.

a) eenzijdige aantasting van het buitenoor met stenose van de uitwendige gehoorgang

0 tot 10

b) tweezijdige aantasting van het buitenoor met stenose van de uitwendige gehoorgang

0 tot 15

Slechts een belangrijke stenose kan op zichzelf een gehoordaling veroorzaken: zie artikel 712.

B. De gehoordalingen

De tonale liminaire audiometrie in lucht- en beengeleiding is het basisonderzoek in de evaluatie van een gehoordaling. Het gehoorverlies moet gemeten worden met een audiometer volgen de ISO 1964 normen geijkt.

Andere proeven, zoals de acoumetrie, de tonale supraliminaire audiometrie en de spraakaudiometrie, kunnen nuttige inlichtingen over het gehoor van de proefpersoon verschaffen.

Blijvende simulatie is uitzonderlijk in expertise-onderzoeken. De min of meer bewuste overdrijving van een gehoordaling komt daarentegen zeer frekwent voor. Het bestaan en het belang van een simulatie wordt door een convergerend geheel van aangepaste proeven aangetoond.

Types van gehoordaling:

- geleidingsdoofheid (buiten- en middenooraantasting);

- perceptiedoofheid (aantasting van binnenoor, gehoorzenuw, en centraal zenuwstelsel);

- gemengde doofheid (geleiding en perceptie).

Art. 712. Invaliditeitspercentages voor de verscheidene graden van gehoordaling

Gemiddeld verlies in het tonaal liminair audiogram - 40 tot 50 db 60 db 80 db 90 db en meer
- 0 0 tot 5 10 20 25
40 tot 50 db 0 tot 5 0 tot 15 20 30 35
60 db 10 20 30 45 50
80 db 20 30 45 65 70
90 db en meer 25 35 50 70 80

De cijfers van deze tabel geven het rekenkundig gemiddeld verlies in het tonaal liminair audiogram in luchtgeleiding op 500, 1000 en 2000 Hertz aan.

Art. 713. Aldus berust de schatting van een ongeschiktheid, veroorzaakt door een gehoordaling, op de uitslagen van het tonaal liminair audiogram (zie artikel 712).

De graad van ongeschiktheid zal bovendien door de uitslagen van speciale tonale en vocale proeven kunnen beïnvloed worden, wanneer hun uitslagen erop wijzen dat het sociaal bruikbaar gehoor meer gedaald is dan het gemiddeld verlies in het tonaal liminair audiogram zou laten vermoeden:

%
Verhogingspercentage 1 tot 10

Ingeval het gemiddeld verlies in luchtgeleiding op 500, 1000 en 2000 Hertz kleiner is dan 40 db, kan deze vermeerdering eveneens toegepast worden indien ze verantwoord wordt door een spraakaudiometrie.

De cumulatie van dit artikel met de artikels 712 en 714, kan de 80 pct. invaliditeit niet overschrijden.

C. Oorsuizen

Ook alleenstaand oorsuizen kan, volgens zijn graad en weerslag op de psyche, aanleiding geven tot invaliditeit.

Art. 714 : %

a) alleenstaand oorsuizen

0 tot 5

b) oorsuizen gepaard met een gehoordaling: verhogingspercentage

0 tot 10

De cumulatie van dit artikel met de artikels 712 en 713, kan de 80 pct. invaliditeit niet overschrijden.

D. Vestibulaire stoornissen

De perifere en/of centrale vestibulaire stoornissen veroorzaken meestal echte vertigo of evenwichtsstoornissen.

Ten einde alle verwarring met zogezegde vestibulaire stoornissen, zoals lipothymie, gevoel van ijlheid in het hoofd of allerhande visusstoornissen te vermijden, zal het onderzoek naar de vestibulaire oorsprong van de vastgestelde afwijkingen steunen op:

- een volledige anamnese met nauwkeurige beschrijving van de subjectieve vestibulaire symptomatologie;

- een vestibulair onderzoek dat minstens volgende proeven moet bevatten: stato-kinetische proeven: het opzoeken van de spontane en positienystagmus; een draaiproef evenals een calorische proef met koud en warm water.

De elektronystagmografie kan een objectief dokument en nauwkeurige diagnostische gegevens verschaffen.

Het is duidelijk dat de vergelijking van deze gegevens met de uitslagen van het audiometrisch en neurologisch onderzoek essentieel is.

%
Art. 715. Vertigo, zonder objectieve symptomen, die lichte stoornissen in het sociaal leven veroorzaakt: volgens de graad 0 tot 5
Art. 716. Vertigo, met objectieve symptomen, die lichte stoornissen in het sociaal leven veroorzaakt 5 tot 15
Art. 717. Vertigo, met objectieve symptomen, die belangrijke stoornissen in het sociaal leven veroorzaakt 15 tot 30

Opmerking: In geval de vestibulaire stoornissen met een post-commotioneel syndroom samengaan: zie artikel 542 "Zenuwstelsel". Cumulatie tussen artikel 542 en de artikels van deze rubriek (vestibulaire stoornissen) is niet toegelaten.

E. Aandoeningen van het middenoor

Men verstaat onder aandoeningen van het middenoor zowel de evolutieve aantastingen als de spontane of therapeutische sekwellen.

%
Art. 718. Eenzijdige aantasting van het middenoor zonder osteïtis 5
Art. 719. Tweezijdige aantasting van het middenoor zonder osteïtis 10
Art. 720. Eenzijdige aantasting van het middenoor met osteïtis 10
Art. 721. Tweezijdige aantasting van het middenoor met osteïtis 20

Men treft frekwent een gehoordaling bij deze aandoeningen aan.

In dit geval is het aangewezen bovenstaande invaliditeitspercentages te combineren met deze toegekend voor de gehoordaling.

F. Tuberculeuze osteïtis van het rotsbeen

Art. 722. Tuberculeuze osteïtis van het rotsbeen: zie rubriek E.

VIII. De craniale zenuwen

Zie deel VIII, hoofdstuk I, I, rubriek E.

 

(*) Une nouvelle version de ce BOBI doit faire l’objet d’une prochaine officialisation. Elle sera publiée dans les meilleurs délais.

———